Vishandel

Mosselen met friet

Alleen mosselen eten in maanden met een ‘r’ in de naam: die volkswijsheid gaat terug tot de middeleeuwen. Ze heeft een heel praktische verklaring: mosselen van aan de kust transporteren naar het binnenland tijdens de warme maanden van mei tot en met augustus was geen goed idee. Er waren immers geen geschikte conserveringstechnieken. 

Aan zee en langs getijdenrivieren waren mosselen dagelijkse kost vanaf de Romeinse tijd, gekookt met – ook toen al – groenten en kruiden: geen ui en selder, maar prei en komijn. Op heel wat Romeinse sites in die regio’s hebben archeologen mosselschelpen gevonden, bijvoorbeeld in Oudenburg en Aardenburg. De mosselen werden toen nog niet gekweekt, maar gewoon geraapt waar ze te vinden waren. 

In de 15de eeuw startte de mosselkweek. Omdat het aanbod groeide, werden mosselen ook met rivierschepen naar het binnenland gebracht. Maar tot de 19de eeuw bleven mosselen in het binnenland wel iets exclusiefs. Vanaf dan veranderde het, en werden mosselen goedkoper dan vlees. Zo werden ze ‘vlees voor de armen’ in heel wat stedelijke arbeidersbuurten. 

De frietjes die we er vandaag zo graag bij eten, zijn Frans van oorsprong. Een Belgische kermismuzikant, Fritz Krieger, leerde ze in Parijs kennen en nam ze mee naar België. Vanaf de jaren 1840 waren ze te koop in zijn kraam, en snel in vele andere. De combinatie van mosselen met frieten komt ook van de kermis en vond later zijn weg naar restaurants én de keuken thuis. De Boerin suggereerde in 1919 om gekookte mosselen te combineren met boterhammen of met ‘patatfrit’. Tegen die tijd werd het gerecht al als iets typisch Belgisch gezien. En dat is niet meer veranderd.