Er is weinig lekkerder dan hutsepot op een koude dag. Recepten voor ‘hutspot’, ‘huspot’ of ‘hussepot’ zijn te vinden in gedrukte Nederlandstalige kookboeken vanaf het einde van de 16de eeuw.

Die kookboeken waren er alleen voor de rijken en hun bedienden, de enige geletterden toen. De 17de-eeuwse Vlaming Antonius Magirus leerde zijn lezers in zijn Koock-boeck ofte familieren keukenboek, dat voor het eerste verscheen in Leuven in 1612, ‘hoe dat men eene goede menghelinghe oft Spaenschen hutspot maecken sal’. Dat recept vroeg een schier eindeloze lijst ingrediënten: gezouten en ongezouten spek, varkenssnuiten, -oren en -poten, zwijnenvlees, saucijzen, ribstukken van hamel, bilstukken van kalf, ossenvlees, kapoenen, duiven, achterbouten van haas, patrijzen, fazanten, wilde eenden, merels, kwartels en vinken, met daarbij rijst, gedroogde erwten, kikkererwten, knoflook, uien, kastanjes, snijbonen, witte kool, savooiekool en rapen.

Om te kruiden voegde hij zout, peper, kaneel en suiker toe. ‘Olipodrigo’ of ‘olla podrida’ heette de Spaanse hutsepot toen ook. Dat betekende letterlijk ‘verrotte pot’. Een hutsepot was ideaal om restjes te verwerken. Magirus haastte zich om te benadrukken dat hutsepot op tal van manieren kon worden bereid, ook met minder of andere ingrediënten. Er waren recepten voor hutsepot met vis, met rundsvlees of gevogelte of zonder vlees. Het geheim van een lekkere hutsepot zat in het ‘husselen’, of het mengen, en in de zorg voor een stevig gerecht met beet. Aardappelen haalden bij de vroegste recepten nog niet de ingrediëntenlijst: ze waren er nog niet. Het zou tot het begin van de 19de eeuw duren. Toen veroverde de aardappel een vaste plek in het voedingspatroon en in het hutsepotrecept, ook al groeide hij al een eeuw op de Vlaamse velden.